Artikel Vrijstelling, thuisonderwijs...

Vrijstelling, thuisonderwijs en thuiszitters
Drie discussies die we uit elkaar moeten houden.

Krista Rigtering ~ juni 2026

Vrijstelling, thuisonderwijs en thuiszitters: drie discussies die we uit elkaar moeten houden
De discussie over de vrijstelling op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet laait de laatste tijd geregeld op. Vaak gaat het dan over thuisonderwijs, de rol van gemeenten en de vraag of ouders hun bezwaren tegen scholen wel of niet moeten toelichten.
Opvallend genoeg lijken in deze discussies drie verschillende onderwerpen steeds meer door elkaar te lopen: de vrijstelling wegens richtingsbezwaren, thuisonderwijs en de problematiek van thuiszitters. Dat maakt het debat ingewikkeld en soms ook onzuiver.
Misschien is het goed om eerst terug te gaan naar de basis.

Een kennisgeving, geen aanvraag
Artikel 5 onder b van de Leerplichtwet biedt ouders de mogelijkheid een beroep te doen op vrijstelling van de inschrijvingsplicht wanneer zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van alle scholen binnen redelijke afstand van hun woning.
Opvallend is dat de wet spreekt over een kennisgeving en niet over een aanvraag.
Dat onderscheid is belangrijk. Een aanvraag vraagt om een besluit van de overheid. Een kennisgeving is in beginsel een mededeling. In de praktijk is hierover al jarenlang discussie. Sommige ouders en belangenorganisaties stellen dat gemeenten feitelijk toch een beoordeling uitvoeren, terwijl daarvoor geen expliciete wettelijke grondslag zou bestaan.
Tegelijkertijd roept dat een logische vraag op. Hoe kan iemand zich beroepen op richtingsbezwaren zonder duidelijk te maken welke geloofs- of levensovertuiging wordt aangehangen en waartegen die bezwaren precies gericht zijn?

Je hoeft niet beoordeeld te worden, maar je moet wel iets kenbaar maken
Gemeenten hebben niet de taak om een geloofsovertuiging te beoordelen. Ook hoort een leerplichtambtenaar niet te bepalen of een geloof "sterk genoeg" is of wanneer iemand "voldoende gelovig" is. Dat zou niet passen binnen de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Maar wanneer iemand zich beroept op bezwaren tegen de richting van het onderwijs, ligt het voor de hand dat ten minste duidelijk wordt op welke richting die bezwaren betrekking hebben.
Niet om de overtuiging te beoordelen, maar om vast te kunnen stellen dat de bezwaren daadwerkelijk betrekking hebben op de richting van het onderwijs.
Daar zit een wezenlijk verschil.
Een bezwaar tegen de levensbeschouwelijke grondslag van een school is iets anders dan een bezwaar tegen het onderwijssysteem, de pedagogische aanpak, de onderwijskwaliteit, de lestijden of de inhoud van bepaalde lessen.
De wetgever heeft de vrijstelling ooit bedoeld voor richtingsbezwaren. Niet voor algemene bezwaren tegen onderwijs of tegen het bestaan van de leerplicht.
Juist daarom voelt het vreemd wanneer wordt gesteld dat ouders helemaal niets zouden hoeven toelichten. Als de grond voor de vrijstelling richtingsbezwaren zijn, dan moet op zijn minst duidelijk zijn dat het daadwerkelijk om richtingsbezwaren gaat.

De uitspraak van de Hoge Raad heeft het speelveld veranderd
De discussie kreeg een nieuwe dimensie door een recente uitspraak van de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat openbaar onderwijs toegankelijk is voor iedereen, ongeacht geloof of levensovertuiging. Daarmee werd vastgesteld dat bezwaren tegen de richting van bijzondere scholen niet automatisch betekenen dat er geen passend onderwijs beschikbaar is.
Daardoor lijkt de ruimte voor een succesvol beroep op artikel 5 onder b aanzienlijk kleiner geworden.
Dat betekent niet dat de vrijheid van godsdienst is verdwenen. Wel betekent het dat de juridische interpretatie van artikel 5 onder b onder druk staat en opnieuw wordt bekeken.

Thuisonderwijs is iets anders dan een vrijstelling
Wat in veel discussies opvalt, is dat artikel 5 onder b steeds vaker wordt gekoppeld aan thuisonderwijs.
Sommige ouders die een beroep doen op de vrijstelling zouden dat doen om thuisonderwijs te kunnen geven. En voorstanders van thuisonderwijs wijzen op de vrijstelling als mogelijkheid om onderwijs thuis vorm te geven.
Maar historisch gezien is dat niet de bedoeling van deze vrijstellingsgrond geweest.
Artikel 5 onder b is geen regeling voor thuisonderwijs.
Het is een regeling die ouders vrijstelt van de verplichting hun kind in te schrijven op een school wanneer sprake is van richtingsbezwaren tegen alle beschikbare scholen.
Dat betekent niet dat thuisonderwijs geen waarde kan hebben. Integendeel.

Thuisonderwijs verdient een eigen plek in het debat
In mijn werk zie ik regelmatig kinderen die vastlopen binnen het huidige onderwijssysteem. Kinderen die vanwege psychische problemen, hoogbegaafdheid, medische beperkingen, trauma, prikkelgevoeligheid of andere omstandigheden langdurig uitvallen. Voor sommige van deze kinderen zou een andere vorm van onderwijs mogelijk beter aansluiten bij hun behoeften.
De vraag of thuisonderwijs daarbij een rol kan spelen, vind ik daarom een legitieme vraag.
Niet ieder kind leert op dezelfde manier en niet ieder kind ontwikkelt zich optimaal binnen dezelfde onderwijsomgeving. Juist daarom moeten we openstaan voor alternatieven wanneer het reguliere systeem onvoldoende aansluit.
Maar die discussie staat los van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet.
Wanneer we vinden dat thuisonderwijs een volwaardige plek moet krijgen binnen het Nederlandse onderwijsbestel, dan vraagt dat om een eigen wettelijk kader. Niet om een beroep op een vrijstellingsgrond die oorspronkelijk voor een ander doel in de wet is opgenomen.

Vrijheid vraagt ook verantwoordelijkheid
Onderwijs is meer dan kennisoverdracht. Het biedt kinderen kansen om zich te ontwikkelen, talenten te ontdekken en hun weg naar vervolgonderwijs, werk en samenleving te vinden.
Daarom vind ik dat thuisonderwijs, wanneer het als onderwijsvorm wordt ingezet, ook gereguleerd zou moeten zijn.
Niet omdat ouders niet te vertrouwen zijn, maar omdat ieder kind recht heeft op kwalitatief goed onderwijs.
Er zou toezicht moeten zijn op de inhoud en kwaliteit van het onderwijs. Ook moet zichtbaar blijven welke ontwikkeling een kind doormaakt en hoe aansluiting behouden blijft op andere onderwijsroutes. Een kind moet kunnen terugkeren naar school wanneer dat mogelijk wordt. Het moet kunnen doorstromen naar vervolgonderwijs of een diploma kunnen behalen wanneer dat past bij zijn of haar mogelijkheden.
Juist daarom verdient thuisonderwijs een helder wettelijk kader met duidelijke rechten, verantwoordelijkheden en kwaliteitsnormen.

En laten we thuiszitters er buiten houden
Wat misschien nog wel het meest wringt, is dat thuisonderwijs en thuiszitters steeds vaker in één adem worden genoemd.
Dat zijn echter fundamenteel verschillende situaties.
Een thuiszitter is een kind dat geen passend onderwijs ontvangt, terwijl er wel een recht op onderwijs bestaat en er vaak gezocht wordt naar oplossingen die nog niet gevonden zijn.
Dat is een probleem waar niemand voor kiest.
Een beroep op artikel 5 onder b is iets anders. Daarbij kiezen ouders bewust voor een wettelijke vrijstelling van de inschrijvingsplicht op basis van richtingsbezwaren.
Dat zijn twee totaal verschillende vraagstukken.
Natuurlijk moeten we ons blijven inzetten voor kinderen die tussen onderwijs, zorg en regelgeving vastlopen. Niemand wil dat kinderen langdurig thuiszitten zonder perspectief. Het recht op onderwijs vraagt voortdurende aandacht en soms ook nieuwe oplossingen.
Maar het helpt niet wanneer de discussie over thuiszitters wordt vermengd met de discussie over artikel 5 onder b.

Tijd voor een eerlijk en zuiver debat
Misschien is het tijd om het gesprek helderder te voeren. Er zijn namelijk drie verschillende debatten tegelijk gaande:

  • De discussie over thuiszitters gaat over passend onderwijs, ondersteuning en inclusie.
     
  • De discussie over thuisonderwijs gaat over de vraag of onderwijs ook buiten een schoolsetting georganiseerd kan worden en onder welke voorwaarden.
     
  • De discussie over artikel 5 onder b gaat over richtingsbezwaren en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

Wat mij betreft mogen we best kritisch kijken naar ons huidige onderwijssysteem en onderzoeken welke alternatieven mogelijk zijn voor kinderen die daarin vastlopen. Misschien moeten we accepteren dat niet ieder kind optimaal tot ontwikkeling komt binnen dezelfde vorm van onderwijs.
Maar laten we die discussie voeren op basis van de vraag hoe we goed onderwijs voor ieder kind organiseren, met waarborgen voor kwaliteit en ontwikkeling. Niet via een vrijstellingsbepaling die ooit bedoeld was om ouders met richtingsbezwaren tegemoet te komen.
Pas wanneer we deze onderwerpen uit elkaar halen, ontstaat ruimte voor een eerlijk debat
Een debat waarin het uiteindelijk niet gaat over systemen, procedures of juridische constructies, maar over waar het werkelijk om draait: het recht van ieder kind op goed onderwijs en optimale ontwikkelkansen.

©Auteursrecht. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.